Je hoort het steeds vaker: de 4 procent regel. Mensen die financieel onafhankelijk willen worden, ZZP'ers die nadenken over hun pensioen, ouders die slim vermogen opbouwen voor later. Maar wat houdt die regel precies in en klopt het eigenlijk wel? In dit artikel leg ik het uit en laat ik zien hoe jij kunt berekenen of je op de goede weg zit.
Wat is de 4 procent regel?
De 4 procent regel komt uit een bekend Amerikaans onderzoek uit 1994, de zogeheten Trinity Study. Onderzoekers analyseerden tientallen jaren aan beursdata en stelden vast dat je elk jaar 4 procent van je belegde vermogen kunt opnemen zonder dat je vermogen op den duur opraakt. Sterker nog: in de meeste scenario's bleef er na 30 jaar nog vermogen over.
De logica erachter is eenvoudig: een gediversifieerde beleggingsportefeuille groeit gemiddeld zo'n 7 procent per jaar. Na inflatie (gemiddeld 2 tot 3 procent) houd je een reëel rendement van 4 tot 5 procent over. Als je dan maximaal 4 procent per jaar opneemt, houdt je vermogen zichzelf in stand.
Concreet betekent dit: als jij €500.000 belegd hebt, kun je elk jaar €20.000 opnemen en dat in theorie je hele leven volhouden.
Hoe bereken je hoeveel jij nodig hebt?
De formule is simpel. Je deelt je gewenste jaarlijkse inkomen door 0,04, ofwel je vermenigvuldigt het met 25.
Stel, je wilt €2.500 per maand leven van je beleggingen, dan is dat €30.000 per jaar. Vermenigvuldig dat met 25 en je hebt je doelvermogen: €750.000.
Klinkt als veel? Bekijk het dan vanuit de opbouwkant. Als je op je 30e begint met €300 per maand inleggen bij een gemiddeld rendement van 7 procent, heb je op je 55e al ruim €600.000 opgebouwd. Voeg je ook de inleg van je partner toe, of bouw je kinderen al mee aan hun vermogen, dan komt €750.000 ineens een stuk dichterbij.
Meer concret: €400 per maand beleggen bij 7 procent rendement over 25 jaar levert je circa €320.000 op. Twee inkomens samen inleggen? Dan praat je al over €640.000, plus wat je eerder al had opgebouwd.
Werkt de regel ook voor Nederland?
In theorie wel, maar er zijn een paar Nederlandse nuances om rekening mee te houden.
Ten eerste box 3. Over je belegde vermogen betaal je in Nederland vermogensbelasting in box 3. In 2026 is de vrijstelling €57.684 per persoon. Daarboven betaal je belasting over een fictief rendement. Dat rendement is inmiddels beter aangesloten op de werkelijkheid, maar het vreet wel aan je opnameruimte. Hou in je berekeningen rekening met zo'n 0,5 tot 1 procent extra belastingdruk op je vermogen boven de vrijstelling.
Ten tweede het AOW-effect. Als je in Nederland op je 67e AOW krijgt, verandert je inkomensbehoefte. Die €30.000 per jaar heb je misschien maar 20 jaar nodig, waarna de AOW een groot deel overneemt. Dat betekent dat jij met een kleiner doelvermogen toekan als je pas op 67 stopt, of dat je eerder kunt stoppen dan je denkt als je tot 67 werkt.
Ten derde inflatie. De 4 procent regel is berekend in Amerikaanse dollars. In Nederland geldt dezelfde logica, maar hou er rekening mee dat je jaarlijkse opname mee moet groeien met de inflatie. Begin je met €20.000 per jaar en inflatie is 2,5 procent, dan moet je na 10 jaar €25.600 opnemen om hetzelfde te kunnen uitgeven.
Hoe gebruik je dit als ouder die spaart voor je kind?
De 4 procent regel is niet alleen handig voor jouw eigen pensioen. Hij geeft ook richting als je nadenkt over de financiële start die jij je kind wilt meegeven.
Stel je voor: je wilt dat je kind op zijn 18e een vermogen heeft dat het zich kan veroorloven om een jaar niet te werken, te studeren zonder bijbaan, of een eigen bedrijf te starten. Zeg €18.000 voor een rustig jaar. Dat is €1.500 per maand. Daarvoor heeft je kind een buffer nodig van €18.000, of een belegd vermogen van €450.000 als ze later van de rente willen leven.
Als je vanaf de geboorte €150 per maand inlegt bij 7 procent rendement, heeft je kind op zijn 18e al ruim €65.000. Dat is geen financiële vrijheid, maar het is wel een enorme voorsprong op leeftijdsgenoten die met nul beginnen.
Een realistisch perspectief
De 4 procent regel is een vuistregel, geen garantie. Tijdens periodes van hoge inflatie of langdurige beursdips kan het knijpen worden. Financieel planners adviseren daarom vaak om met 3 tot 3,5 procent te rekenen als je meer veiligheidsmarge wilt, of om flexibel te zijn in je uitgaven.
Wat de regel vooral goed doet: het geeft je een concreet getal om naartoe te werken. In plaats van vaag "genoeg sparen", weet je precies hoeveel je nodig hebt. En dat maakt het plannen een stuk overzichtelijker.